In aanloop naar de aanstaande verkiezingen is er veel te doen over de toekomst van de Publieke Omroep. O.a. de PVV en Groen Links willen grootschalige veranderingen doorvoeren in het publieke bestel. Tegenstanders van die veranderingen, en die zijn er in overvloed volgens mij, reageren fel en pleiten voor instandhouding van het huidige omroepbestel. Maar dat huidige bestel is niet zo rooskleurig als men nu doet vermoeden. Ronald Plasterk was niet voor niets bezig met het opstellen van een hernieuwde visie voor de toekomst van de Publieke Omroep.

In deze hernieuwde toekomstvisie stonden wat betreft Plasterk vier uitgangspunten bij voorbaat al vast. Deze beschreef hij in een brief aan de Tweede Kamer op 12 november 2009. Hieronder reageer ik per punt op wat volgens Plasterk de grondbeginselen van de Publieke Omroep zouden moeten zijn.

De publieke omroep houdt bestaansrecht. Ook in een druk en digitaal medialandschap garandeert een publieke omroep de kwaliteit, verscheidenheid, toegankelijkheid en continuïteit van een deel van het media-aanbod. Regels en overheidssteun voor commerciële media zijn nodig en kunnen in het toekomstige mediabeleid aan belang winnen, maar een sterke publieke mediaorganisatie niet vervangen.

Met deze stelling ben ik het eens. In het huidige medialandschap is het belangrijk de kwaliteit, verscheidenheid, toegankelijkheid en continuïteit van het medialandschap van bovenaf te waarborgen. Wel vraag ik mij hardop af of de huidige complexe indeling van het omroepbestel deze doelstelling niet eerder in de weg staat dan bevordert. Voorst ben ik van mening dat het geen doelstelling van de Publiek Omroep moet zijn om een onvervangbare positie in te nemen, maar dat de Publieke Omroep het onvermogen van de commerciële partijen moet aanvullen waar nodig.

De publieke omroep is van en voor iedereen, en heeft mede daarom een brede programmatische opdracht die zich uitstrekt over alle genres. Verder vervult hij die opdracht multimediaal, dus door combinaties van radio, televisie en internet op uiteenlopende netwerken en schermen. Alleen dan houdt de publieke omroep immers aansluiting bij de jonge, digitale generatie.

Het aantal publieke omroepen en zenders is onnodig omvangrijk wanneer we kijken naar het bestaansrecht van de Publieke Omroep. Een combinatieomroep van N.O.S. en N.P.S. zou de doelstellingen van de Publieke Omroep ook kunnen realiseren, waarbij genres als entertainment overgelaten kunnen worden aan commerciële partijen. Ik ben het er dus niet mee eens dat de invulling van de Publieke Omroep zich zou moeten uistrekken over alle genres. Veel van de op dit moment door de publieke omroepen uitgezonden genres staan verre van de in het bestaansrecht van de Publiek Omroep geformuleerde doelstellingen en zijn daarom overbodig.

De publieke omroep is verankerd in de samenleving en vormt daarvan een redelijk goede afspiegeling. Van oudsher vervullen omroepverenigingen daarin een cruciale rol. Zij vertegenwoordigen de maatschappelijke pluriformiteit en vertalen die in publieke programma’s. De ledentallen en toetreding van nieuwkomers onderstrepen dat het verenigingsbestel nog voldoende vitaal is. Wel blijft de coördinatie van verschillende spelers onder één dak lastig.

De aanname dat de Publieke Omroep een afspiegeling moet zijn van de heersende pluriformiteit in de samenleving is in mijn ogen onjuist. Voor het bieden van kwaliteit, verscheidenheid, toegankelijkheid en continuïteit is geen ideologische pluriformiteit nodig. Het verslaan van nieuws is – vertrouwende op de onafhankelijkheid en integriteit van het journalistieke beroep – geen ideologische of politiek aangelegenheid. Concurrentie tussen omroepen met een verschillend geluid kan juist werken als katalysator van polarisering doordat omroepen hun berichtgeving verkleuren naar de voorkeur van de achterban met als doel onderscheidend te zijn en leden te winnen.

De continuïteit van de publieke omroep is voor langere tijd verzekerd. De overheid bepaalt de taak en daarmee de grove contouren van het aanbod, maar hoort ver te blijven van inhoudelijke afwegingen. Mede daarom dient de publieke omroep voor een langere periode zeker te zijn van zijn wettelijke opdracht en budget. Het budget is multimediaal. Daardoor kan de publieke omroep geld toedelen aan multimediale thema’s, producties of redacties, zonder dat kunstmatig te splitsen naar radio, televisie en ‘nieuwe diensten’.

De door de hierboven genoemde maatregelen gerealiseerde vrijheid van de publieke omroepen is een goede manier om de omroepen competitief, onderscheidend en vernieuwd te laten zijn. Met name doordat het toegewezen budget multimediaal is zijn de omroepen vrij te innoveren.

Dit artikel heb ik geschreven in opdracht van de Universiteit van Amsterdam voor het programma Communicatie Beleid onderwezen door Jo Bardoel en Jan van Cuilenburg